-
- Ottodebeste 说...
-
- 用户
- 2010年 12月 13日, 12:47
Toen stak hij de veranda over en slenterde langs Frank heen de tuin in.
"Mevrouw Letiège?" riep Frank, even verblind door de duisternis in de hal.
"Ik kom eraan", zei ze, een stem die van boven kwam, voorbij het trapgat.
Voor hem, in de keuken, joeg een jachtluipaard over het beeldscherm van een geluidloze televisie een gazelle op. Frank zag het achterhoofd van een jongen dat zich aftekende tegen de onderste helft van het scherm, verder werd hij door het aanrecht aan het zicht onttrokken. Het huis rook naar oud snoep en het chemische zout van kaassnacks.
Aan de ene kant van de woonkamer stond een boekenkast en aan de muur ertegenover hing een schilderij dat hij in het slechte licht niet goed kon zien. De vloer was bedekt met twee grote oosterse tapijten. Hij zette zijn aktentas op een gescheurde leren fauteuil en pakte het dossier van mevrouw Letiège, dat hij al zou hebben gelezen mocht hij zich vanochtend niet zo beroerd hebben gevoeld.
Nadat hij zich totaal had bedronken was hij zo slim geweest zijn voormalige vriendin te bellen, een studiegenote met wie hij tegen het eind van zijn specialisatie iets had gehad. Ze waren een half jaar met elkaar omgegaan, de langste tijd dat Frank, die tweeëndertig was, een relatie had gehad. Als hij niet zoveel patiënten met veel hopelozer liefdelevens had gezien, zou hij zichzelf misschien abnormaal hebben gevonden. Anne was een paar keer uit Boston overgevlogen toen hij hier pas zat; hij had zichzelf wijsgemaakt dat hij haar op een dag ten huwelijk zou vragen.
"Blij te horen dat je daarginds nog steeds de wereld aan het redden bent", zei ze, nadat hij een paar opmerkingen had gemaakt waar hij nu spijt van had. Ze wist dat hij hierheen was gegaan met het idee dat hij de vrijheid zou krijgen om op zijn eigen manier te werken, dat hij meer tijd zou hebben om met zijn patiënten te praten.
Op dit moment leek het in zijn beroep bijna verraad om zoiets te willen, gezien de dominerende rol van de biologische psychiatrie waarin ze waren opgeleid, een dominantie waartegen Anne nooit echt bezwaar had gemaakt. Ze hadden er vaak onenigheid over gehad en het was altijd geëindigd dat ze Frank een romanticus noemde die zich vastklampte aan een oud sprookje over de waarde van het gesprek.
Maar haar woorden konden nimmer (?) het feit veranderen dat Frank instinctief aanvoelde wat het betekende om aandacht te schenken aan mensen om wie hij gaf, en dat was meer dan een medicijn uitzoeken. Hij wist dat zijn patiënten iemand nodig hebben die inzag wat ze doormaakten en hij wist dat hij daar goed in was, beter dan de meeste collega's.
Tijdens de medicijnenstudie hadden ze allemaal grappen gemaakt over het afstompen: van vier maanden, besteed aan het ontleden van een lijk van een man, aan snijden in zijn gezicht en zijn ogen, tot zeven uur de borst van een vrouw met klemmen openhouden, om haar vervolgens op de operatietafel te zien sterven - wat de bijzonderheden ook waren, bij de meeste mensen duurde het niet lang.
En daarna, tijdens de specialisatie, schizofrenen, bevend in een psychose, verslaafden, maniakken. Frank maakte ook grappen. Maar het gaf hem altijd een vreemd gevoel, alsof hij dat alleen maar deed om te bewijzen dat hij zich aanpaste, net als zijn studiegenoten. In werkelijkheid voelde hij zich nog steeds als een spons, die de pijn van de mensen naar wie hij luisterde opzoog. In zijn hart beschouwde hij het in zekere zin als een geloofsdaad.
Hij was nooit een gelovig mens geweest, dus empathie had bij hem de plaats ingenomen die het geloof soms bij anderen had.
Terwijl hij zijn hoofdpijn trachtte te negeren, sloeg hij het verslag van de internist in het dossier van mevrouw Letiège over en begon meteen aan het psychiatrische rapport: vierenveertigjarige vrouw zonder geschiedenis van ernstige geestesziekten in de familie; eerste depressie na de dood van haar oudste zoon, vier jaar geleden; twee jonge kinderen, een jongen en een meisje. Toen hij in de kantlijn las welke behandeling daar aangegeven stond, zag hij slordig er met haar was omgegaan.
Een korte kuur met antidepressiva, waarschijnlijk nooit afgemaakt, en sindsdien alleen maar benzo's - kalmerende midden - op recept naar wens. Geen therapie. De psychiater die Frank had vervangen, was niet van zins geweest een reis van vijf uur te maken voor een medisch consult, dus hij had haar recept voortdurend herhaald. Een cryptisch zinnetje dat hij onder de bladzijde had gekrabbeld luidde: "Letsel kan een factor zijn"
-
- Ottodebeste 说...
-
- 用户
- 2011年 9月 24日, 18:15
"Ja" zeggen
Ze waren de vaat aan het doen, zijn vrouw waste af, hij droogde. Hij had de avond ervoor afgewassen. Anders dan de meeste mannen die hij kende, hielp hij echt mee in het huishouden. Een paar maanden eerder had hij toevallig gehoord hoe een vriendin zijn vrouw feliciteerde met haar zorgzame echtgenoot, en had hij gedacht: ik doe mijn best. Meehelpen met de afwas was ook een manier om te laten zien hoe attent hij was.
Ze praatten over verschillende dingen en kwamen op de een of andere manier op het onderwerp of blanke mensen met zwarte mensen zouden moeten trouwen. Hij zei dat hij het, alles in aanmerking genomen, een slecht idee vond.
"Waarom?" vroeg ze.
Soms zette zijn vrouw een gezicht waarbij ze haar wenkbrauwen samentrok en op haar onderlip bijtend naar iets omlaag tuurde. Als hij haar zo zag kijken wist hij dat hij zijn mond moest houden, maar dat deed hij nooit. Hij ging van de weeromstuit zelfs meer praten. Ze keek nu ook zo.
"Waarom?" vroeg ze weer, en stond er met haar hand in een kom zonder hem af te wassen, hem alleen boven het water houdend.
"Hoor eens," zei hij "ik heb met zwarten op school gezeten. Ik heb met zwarten gewerkt, ik heb met zwarten in dezelfde straat gewoond en we konden altijd prima met elkaar overweg. Jij hoeft niet te gaan insinueren dat ik een racist ben."
"Ik insinueerde helemaal niets," zei ze en begon de kom weer af te wassen, hem in haar handen ronddraaiend alsof ze hem nog vorm moest geven. "Ik zei alleen niet wat er verkeerd is aan is dat een blanke met een zwarte vrouw trouwt, dat is alles."
"Ze komen niet uit dezelfde cultuur als wij. Luister maar eens naar ze, ze hebben zelfs hun eigen taal. Dat is mij best, ik hoor ze graag praten ..."
Dat was waar, om de of andere reden werd hij er altijd opgewekt van.
"Maar ze zijn anders. Iemand van hun cultuur en iemand van onze cultuur kunnen elkaar nooit echt kennen."
"Zoals je mij kent?" vroeg zijn vrouw.
"Ja. Zoals ik jou ken."
"Maar als ze van elkaar houden," zei ze. Ze waste nu sneller af, zonder hem aan te kijken.
O jee, dacht hij. Hij zei: "Je hoeft mij niet te geloven. Kijk de statistieken er maar op na. De meesten van die huwelijken lopen stuk."
"De statistieken." Ze stapelde in een verschrikkelijk tempo borden op het aanrecht, haalde de vaatdoek er alleen maar even langs. Veel borden waren nog vettig, en hij zag brokjes eten tussen de tanden van de vorken.
"Goed.", zei ze, "hoe zit het met buitenlanders? Ik neem aan dat je dezelfde mening hebt over buitenlanders die met elkaar trouwen?"
"Ja", zei hij, "dat is inderdaad zo. Hoe kun je iemand begrijpen die een volkomen andere achtergrond heeft?"
"Een andere achtergrond," zei zijn vrouw. "Niet dezelfde, zoals wij."
"Ja, een andere." snauwde hij, kwaad dat ze haar toevlucht nam tot de truc zijn woorden te herhalen, zodat ze cru of hypocriet klonken.
"Die zijn nog vies," zei hij en hij gooide het bestek weer in de gootsteen.
Het sop was krachteloos en grauw geworden. Ze tuurde erin met stijf op elkaar geklemde lippen, plonsde toen haar handen erin.
"O!" riep ze en sprong achteruit. Ze pakte haar rechterhand bij de pols vast en hield hem omhoog. Haar duim bloedde.
"Niets doen, An." zei hij. "Blijf daar staan." Hij rende de trap op naar de badkamer en zocht in het medicijnkastje rommelend naar alcohol, watten en een pleister. Toen hij weer beneden kwam leunde ze met gesloten ogen tegen de koelkast, haar hand nog bij de pols vasthoudend. Hij pakte de hand en bette haar duim met de watten. Het bloeden was opgehouden. Hij kneep erin om te zien hoe diep de wond was en er welde één heldere druppel bloed op, die even trilde en toen op de grond viel. Ze keek hem over de duim aan met een beschuldigende blik.
"Een ondiep sneetje." zei hij. "Morgen weet je niet eens dat het er is."
Hij hoopte dat ze zich ervan bewust was hoe vlug hij haar te hulp was gesneld. Hij had gehandeld uit bezorgdheid voor haar, zonder de gedachte er iets voor terug te krijgen, maar nu bedacht hij dat het een aardige geste van haar kant zou zijn dat gesprek niet te hervatten, want hij had er genoeg van.
"Ik maak dit wel af," zei "Ga jij maar even rustig zitten."
"Dat hoeft niet," zei ze "Ik droog wel af."
Hij begon het bestek opnieuw te wassen, met veel aandacht voor de vorken.
"Dus," zei ze "Jij zou niet getrouwd met me zijn als ik zwart was geweest."
"Godverdomme, An!"
"Nu, dat je roch, of niet?"
"Nee, dat heb ik niet gezegd. De hele vraag is belachelijk. Als jij zwart was geweest hadden we elkaar niet eens ontmoet. Dan had jij jouw vrienden gehad en ik de mijne. Het enige zwarte meisje dat ik ooit het gekend was mijn partner bij het quizgroepje, en toen ging ik al met jou."
"Maar als we elkaar wel hadden ontmoet, en ik was zwart geweest?"
"Dan ging je waarschijnlijk al met een zwarte jongen."
Hij pakte de spoeldouche en besproeide het bestek. Het water was zo heet dat het metaal verkleurde tot lichtblauw, daarna herkreeg het zijn zilveren glans.
"Laten we zeggen dat het niet zo was," zei ze. "Laten we zeggen dat ik zwart ben en ongebonden en dat we elkaar ontmoeten en verliefd worden."
Hij wierp haar een zijdelingse blik toe. Ze stond hem aandachtig op te nemen en haar ogen schitterden.
"Luister," zei hij, nu op een redelijke toon, "dit slaat nergens op. Als jij zwart was zou je niet zijn wat je bent."
Terwijl hij het zei realiseerde hij zich dat dit absoluut waar was. Er was niets in te brengen tegen het feit dat zij niet zou zijn wie ze was als ze zwart was. Daarom zei hij het nog eens: "Als jij zwart was, zou je niet zijn wie je bent."
"Dat weet ik," zei ze "maar laten we zeggen dat het wel zo is."
Hij haalde diep adem. Hij had het pleit gewonnen maar voelde zich nog steeds in het nauw gedreven.
"Dat wat wel zo is?", vroeg hij.
"Dat ik zwart ben, maar dat ik nog steeds ben wie ik ben, en dat wij verliefd op elkaar worden. Ga je dan met me trouwen?"
"Ik sta erover na te denken," zei hij.
"Je doet het niet, dat zie ik aan je. Je gaat nee zeggen."
"Niet zo snel," zei hij "Er zijn een heleboel dingen die je daarbij in overweging moet nemen. We moeten geen dingen doen waar we misschien de rest van ons leven spijt van zullen hebben."
"Niet meer nadenken. Ja of nee?"
"Als je het zo stelt - "
"Ja of nee."
"Jezus. An. Oké. Nee."
"Dank je," zei ze en liep van de keuken de woonkomer in.
Even later hoorde hij haar de pagina's van een tijdschrift omslaan. Hij wist dat ze te kwaad was om echt iets te lezen, maar ze werkte zich niet wild rukkend door de pagina's, zoals hij gedaan zou hebben, ze sloeg ze langzaam om, alsof ze ieder woord aandachtig in zich opnam. Daarmee demonstreerde ze haar onverschilligheid voor hem, en dit had het effect war zij natuurlijk op uit was. Het deed hem pijn.
Hij had geen andere keus dan haar zijn onverschilligheid te demonstreren. Kalm en grondig deed hij de rest van de afwas. Daarna droogde hij alles af en ruimde op. Hij naam het aanrecht en het fornuis af en boende het zeil waar de druppel bloed was neergekomen. Nu hij toch bezig was, besloot hij kon hij net zo goed de hele vloer even dweilen. Toen hij klaar was zag de keuken er als nieuw uit, zoals toen ze het huis voor het eerst kwamen bezichtigen, voor ze er ooit hadden gewoond.
Hij pakte de afvalemmer en liep ermee naar buiten. Het was een heldere avond en in het westen, waar ze niet werden uitgevaagd door de lichten van de stad, zag hij een paar sterren. Het verkeer op de Gaversesteenweg was rustig en stroomde gestadig, stil als een rivier. Hij schaamde zich omdat hij zich door zijn vrouw tot een ruzie had laten verleiden. Over een jaar of dertig waren ze allebei dood. Wat deed al die onzin er dan nog toe? Hij dacht aan al de jaren die ze samen hadden doorgebracht, en bij het besef hoe hecht hun band was, hoe goed zij elkaar kenden, trok zijn keel dicht, zodat hij nauwelijks nog kon ademen. Zijn gezicht en hals begonnen te tintelen. Er welde een diepe warmte op in zijn borst. Hij stond een poosje te genieten van die lichamelijke sensaties, nam toen de afvalemmer en stapte door het hek aan de achterkant.
De twee mormels van verderop hadden de vuilniscontainer weer omvergetrokken. Een van de twee honden lag op zijn rug te rollen en de andere had iets in zijn bek. Toen ze hem zagen aankomen draafden ze weg met korte trippelpasjes. Normaal had hij ze een paar stenen achterna gegooid, maar ditmaal liet hij ze gaan.
Het was donker in het huis toen hij weer binnenkwam. Ze was in de badkamer. Hij bleef voor de deur staan en riep haar naam.
Hij hoorde flesjes tinkelen, maar ze gaf geen antwoord.
"An, het spijt me echt," zei hij.
"Ik zal het goedmaken, dat beloof ik je."
"Hoe?" vroeg ze.
Dat had hij niet verwacht. Maar iets in haar stem, een vlakke, besliste toon die hij niet kende, vertelde hem dat hij met het goede antwoord moest komen. Hij leunde tegen de deur.
"Ik zal met je trouwen." fluisterde hij.
"Dat zien we nog wel," zei ze. "Ga maar vast naar bed. Ik kom zo."
Hij kleedde zich uit en schoof onder de dekens. Na een tijdje hoorde hij de badkamerdeur open- en dichtgaaan.
"Doe het licht uit," zei ze vanuit de gang.
"Wat?"
"Doe het licht uit."
Hij reikte opzij en trok aan het kettinkje van de lamp op het nachtkastje. De kamer werd donker. "Goed," zei hij. Hij lag te wachten, maar er gebeurde niets.
"Goed," zei hij weer. Toen hoorde hij iets bewegen. Hij ging rechtop zitten maar kon niets zien. Het was stil in de kamer. Zijn hart bonsde zoals bij hun eerste nacht samen, zoals het nog altijd ging bonzen wanner hij wakker werd van een geluid in het donker en wachtte tot hij het weer hoorde - het geluid van iemand die door het huis liep, een vreemde.
-
- Ottodebeste 说...
-
- 用户
- 2011年 10月 3日, 18:48
vervolg
"Neem me niet kwalijk dat ik u niet binnenliet", zei mevrouw Letiège terwijl ze met haar handen in haar zakken de woonkamer binnenkwam. Ze was een aantrekkelijke vrouw, slank, langer dan haar man, lichamelijk gezonder, hoewel ze er zeker ouder uitzag dan vierenviertig. Ze droeg een eenvoudige zwarte, een beetje verschoten broek, een witte rayon blouse, en een zilveren ketting. Hij had een ontregeld iemand verwacht, een soort kluizenares. De vrouw tegenover hem leek hier bijna misplaatst, in dit huis in deze uithoek.
Ze sloot de deur naar de keuken, draaide een sleutel om in het slot en liep vervolgens door de kamer naar hem toe.
"Het spijt me dat u dat hele eind hebt moeten rijden," zei ze. "In die afschuwelijke hitte. Wilt u iets drinken? Water, of een glas limonade?"
"Voorlopig niets," zei hij, "dank u".
Ze ging op de bank zitten en hij liet zich in de leren fauteuil zakken.
"De reden waarom ik hier ben is dat het de directeur een goed idee leek als ik u eens persoonlijk ontmoette. Hij zei dat u uw laatste afspraken in de kliniek niet hebt nakomen."
Haar blik was gericht op iets achter zijn schouder.
"Ik neem aan dat u geen kinderen hebt," zei ze.
Er waren weleens patiënten die onbekend vragen over zijn leven stelden, maar meestal gebeurde dat niet onmiddellijk.
"Misschien is het beter als we het erover hebben hoe het de laatste tijd met u gaat. Clonazepam is een middel tegen angststoornissen. Ben u de laatste tijd erg angstig?"
Ze liet haar blik even zakken om Frank recht aan te kijken. Ze had een knap, een beetje mager gezicht, opvallend groene ogen, een sterke, bijna mannelijke kaak; haar zwarte haar was van haar hoge voorhoofd naar achteren gekamd. Onbekend zag niet vaak vrouwelijke patiënten met zo'n zelfbewuste uitstraling. De vrouw die in de kliniek bij hem kwamen hadden meestal dat afgestompte van slachtoffers van mishandeling of van zieken wier behandeling lang op zich had laten wachten.
"U bent hier om een recept uit te schrijven. Dat klopt toch?"
Frank wilde juist antwoorden toen mevrouw Letiège haar linkerarm van haar zij optilde om een lok haar achter haar oor te strijken. Terwijl ze dat deed, bewoog ze haar andere arm en liet die in haar schoot rusten. Aan haar rechterhand ontbraken alle vier de vingers en de hand op de ronde uiteinden van de knokkels was glad. Frank staarde onwillekeurig naar die vlezige stompjes. Een of ander ongeluk op een boerderij, vermoedde hij, het letsel waarover Pitford had geschreven.
Hij vermande zich en keek haar resoluut in het gezicht. Wat hij had willen zeggen was uit zijn hoofd verdwenen.
"Eigenlijk wil ik toch wel een glas water," zei hij.
"Ja, natuurlijk. Ga uw gang. De sleutel zit in de deur."
"Hallo," zei hij tegen de jongen voor de televisie terwijl hij in de keukenkast naar een glas zocht. Dit was kennelijk ook geen prater. Hij leek iets ouder dan zijn zusje, twaalf misschien. Hij staarde onbekend aan met een merkwaardige uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij probeerde te bedenken of de man die voor hem stond echt bestond of dat hij alleen maar een vluchtige luchtspiegeling was.
"Waar kijk je naar?"
Op de beeldbuis vrat een jakhals of een wolf aan de opengereten buik van een hert.
"Wil je een glaasje water?"
De jongen schudde zijn hoofd.
Hoewel het hem een vreemd gevoel gaf, draaide onbekend, toen hij de woonkamer binnenging, de deur weer achter zich op slot met de sleutel. Mevrouw Letiège zat nog steeds op de bank. Ze zat als verstijfd en volgde hem met haar blik terwijl hij naar zijn stoel liep.
"Ik zie dat u een jaar of vier geleden voor het eerst bij de dokter bent geweest. Dat was vlak na de dood van uw zoon. In deze aantekeningen staat dat u op dat moment voornamelijk met een depressie kampte. Klopte dat?"
"Ik heb een vraagje, dokter. Waar bent u precies opgegroeid?"
"Mevrouw Letiège, ik denk dat het belangrijk is dat ik in de ons toegemeten tijd inzicht in uw situatie krijg, zodat we kunnen proberen u te helpen."
"Natuurlijk. Het spijt me. Ik het gewoon prettig om zo'n beetje te weten met wie ik spreek. U komt uit het oosten van het land, neem ik aan."
"Oost-Vlaanderen."
"Waar precies?"
"Vlak bij Latem."
"Ik neem aan dat u in een rijke stad bent opgegroeid."
"Mevrouw Letiège"
"Ik zal zo ophouden," zei ze. "Maar vertel eens, het is toch een rijke stad? Keurige gazons. Een golfclub. Kinderen die gaan studeren. Klopt dat?"
"Een betrekkelijk welvarende voorstad, inderdaad." Zei hij, overdonderd door de ernst van haar toon, terwijl hij zichzelf meteen berispte omdat hij zich liet uithoren over persoonlijke zaken.
"En die depressie, hebt u daar nog steeds last van?" voeg hij resoluut.
Haar blik zwierf over zijn schouder en dezelfde uitdrukking van een zich herinneren die hij op het gezicht van haar man had gezien, verscheen nu op het hare. Hij realiseerde zich dat ze naar het schilderij aan de muur achter hem keek. Hij draaide zich om er een glimp van op te vangen. Het was een reproductie van een laat-middeleeuws schilderij, een afbeelding van een druk stadsplein tijdens een soort feestgelag, allerhande mensen - ordinair, beschaafd, jeugdig, aftands - biddend, etend, over het plein wandelend, geschilderd in bruine en rode tinten.
"Dat is van Brueghel," zei ze.
"Aha," antwoordde Frank; de naam kwam hem bekend voor uit een les esthetica.
"De strijd tussen carnaval en vasten, vijftiennegenenvijftig," zei ze. Ze bestuurde onbekend gelaatsuitdrukking, alsof ze naar tekenen van ongeloof zocht.
"Misschien verbaast u dit, maar ik heb een paar jaar aan de universiteit van Gent gestudeerd. Mijn vader zag zichzelf bij voorkeur als een progressief man. Heel ruimdenkend, nam zijn dochters altijd serieus. Het deed hem plezier dat ik zoiets nutteloos als kunstgeschiedenis ging doen; dat zei hij tussen neus en lippen als hij met vrienden van de Rotary sprak en dan grinnikte hij op zijn eigen manier om hun verwarring. Hij stierf toen ik daar nog zat, vlak nadat ik aan mijn laatste jaar was begonnen."
Met haar goede hand pakte ze een doosje sigaretten, haalde er een uit en stak die aan. Bijna zedig blies ze de rook naar de grond.
"Mijn moeder was minder ruimdenkend. Al dat geld uitgeven om naar schilderijen te kijken, voor een meisje nog wal - wat een zonde, hé? Dus ben ik thuisgekomen na drie jaar, niet afgestudeerd." Ze trok langzaam aan haar sigaret. Haar gedachten leken af te dwalen.
Hoewel de rolgordijnen half gesloten waren, was de lucht in de voorkamer verstikkend. Frank voelde de rug van zijn overhemd nat worden tegen het leer van de stoel.
"Ik vraag me af of u me misschien iets over uw symptomen kunt vertellen."
"Mijn symptomen?" zei ze, zich naar voren buigend "Ja, ik kan u wel iets over mijn symptomen vertellen. Soms word ik 's ochtends bevend wakker en dan durf ik niet uit bed te komen. Als ik een paar van die pillen uitneem, lukt het me op te staan en ontbijt voor mijn kinderen te maken. Soms ben ik 's ochtends ontzettend bang en moet ik mijn tanden op elkaar zetten om het voor elkaar te krijgen."
Ze wreef de half opgerookte sigaret uit in het dof-zilveren asbak op de salontafel.
"En ik ben bang voor mijn zoon."
"Waarom?"
Haar toch al verstijfde lichaam verstrakte nog een fractie. "Zoals ik al zei, zolang ik die pillen maar inneem is er niets aan de hand."
Omdat hij haar gespannen uitdrukking zag, besloot Frank gas terug te nemen.
"U zei dat u gestudeerd hebt. Dat is ongewoon voor de vrouwen die ik behandel."
Mevrouw Letiège ging achteruit zitten op de bank en fronste even bevestigend, alsof ze wilde zeggen, ja, jammer dat er niet meer konden studeren.
Terwijl ze zich ontspande vertoonde haar gezicht sporen van wat eens flirterigheid moest zijn geweest, en onbekend ving een glimp op van hoe ze er in de ogen van de andere jongens op de middelbare school moest hebben uitgezien, degenen die er nooit van hadden gedroomd om weg te gaan.
"Mijn ouders waren gelovige mensen. Onze kerk was een heel sober bakbeest, witte muren, een simpel kruis. Mijn moeder - toen ze me tijdens mijn studie kwam opzoeken - die gotische stenen gebouwen waar we woonden, die bevielen haar niet. Ze was hier gelukkig geweest met mijn vader, kon zich niet indenken waarom iemand hier weg zou willen."
Ze tuurde langs Frank heen, door het raam dat uitkeek op de tuin opzij.
"Ik had me de hemel altijd als een tamelijke gewone plek voorgesteld, waar je de doden ontmoette en waar mensen zich min of meer op hun gemak voelden. Ik denk dat ik me de hele wereld zo voorstelde, als een gewone plek. Maar die schilderijen ...die waren zo mooi. Ik had nog nooit zoiets volmaakts gezien. Kent u Géricault? Kent u zijn schilderijen van Arcadië, die gigantische, liefelijke landschappen?"
Frank schudde zijn hoofd.
"Die zou u eens moeten gaan zien. Ze zijn prachtig.". Ze sprak langzaam, nadenkend.
"Dus toen u van de universiteit af ging, bent u thuisgekomen?" vroeg hij.
"Ja, in mijn ouderlijk huis." Ze glimlachte. "Francis begon pas bij de bank. Hij had een jaar aan de staatsuniversiteit gestudeerd, aardig wat gelezen. Hij wilde hier niet voorgoed blijven. Dat zei hij voortdurend, omdat hij wist dat ik het moeilijk had gevonden om terug te komen. Hij nam me mee in zijn auto naar het meer. En hij had het over een huis in de stad. Een eik in de achtertuin, een veranda met uitzicht op de rivier. Ik dacht er alsmaar aan dat ik dicht bij een museum wilde wonen. Dat ik weer colleges zou kunnen volgen: ik had niet veel punten meer nodig om af te studeren. En in de buurt van een stad zou ik onderzoek kunnen doen. Francis, die knikte als ik dat zei. Ik had gestudeerd, ziet. Ik was een goeie vangst."
Ze grinnikte. "Vijfentwintig jaar geleden was die geest die u daarbuiten hebt gezien een knappe vent." Haar blik bleef op de vloer bij haar voeten rusten.
"Bent u getrouwd?"
Er was een zekere gemeenzaamheid, een warmte bijna, in de manier waarop ze dit vroeg, alsof ze niet naar informeerde omdat ze het zelf wilde weten maar om hem de gelegenheid te geven het haar te vertellen.
"Nee," zei hij, "ik ben niet getrouwd."
"Hoopt u dat het er nog eens van komt?"
Hij bedacht dat zijn leermeesters hem onprofessioneel zouden vinden omdat hij antwoord op deze vragen gaf.
"Ja," zei hij, "dat zou ik graag willen."
Ze knikte maar zei niets terug.
"U bent kort na uw terugkeer getrouwd?", vroeg hij.
"Inderdaad. Thomas, mijn oudste zoon kwam al gauw. Natuurlijk was het verstandig om het een tijdje te sparen. Hier een huis te nemen, gewoon voor een jaar of twee, voordat we de grote sprong waagden. U hebt waarschijnlijk op een montessorischool gezeten, hé? Of op een plattelandschool - landkaarten aan de muren."
Ze glimlachte hem toe, een flauwe, gulle lach.
"Hij was zo slim, dokter, vanaf het eerste begin. Ik wilde dat hij dat allemaal zou hebben. Dat wilde ik echt.
Ik had mijn studieboeken bewaard, en Francis had boeken en ik kocht er een aantal. Dus terwijl de school hem elk jaar koning Leopold leerde, las ik hem voor. Ik was niet fanatiek, ik deed de televisie niet de deur uit, we hielden hem niet thuis. Na het eten las ik hem voor en toen hij groter werd, las hij die boeken zelf. En ik liet hem van alles zien. Ik draaide platen voor hem, ben een keer met de auto met het naar Anderlecht geweest, nam hem mee naar het museum. Hij vond die schilderijen mooi, maar u had de uitdrukking op zijn gezicht moeten zien toen hij zag hoe hoog die gebouwen waren en hoeveel mensen er op straat rondliepen - opgetogen was hij. Opgetogen. Ik kon de gedachte niet verdragen dat hij hier zou rondhangen in afwachting van een of ander uitzichtloos baantje. Dat betekende natuurlijk dat ik snob was, omdat ik méér voor hem wilde. De leraren op de middelbare school, die mochten me niet.
(...)
-
- The Scientist 说...
-
- 用户
- 2011年 11月 4日, 14:07
test tekst/probeerselke